Interview: Gideon Spanjar - De Gezonde Stad

Benieuwd naar de laatste duurzame ontwikkelingen in Amsterdam? Bekijk hier De Gezonde Stad Monitor!

De Monitor

Interview: auteur en onderzoeker Gideon Spanjar

Gideon Spanjar, ons nieuwste bestuurslid, is lector van de Aeres Hogeschool in Almere. Ook schreef hij het boek Natuurinclusieve gebiedsontwikkeling. Wij interviewden hem over groen in Amsterdam waar hij veel onderzoek naar heeft gedaan, zijn hoop op natuurlijkere steden in de toekomst en zijn eigen band met de natuur.

  • Geplaatst 1 april 2026

Beeld: Erwin Budding

Connectie met natuur

Waar komt jouw gevoel voor groen vandaan?

Dat is heel vroeg begonnen. Als kind was ik altijd te vinden in de natuur. Ik begon toen ook mijn eigen moestuin. Dat werd al snel een grote hobby, met steeds meer planten en zelfs kassen. Op een gegeven moment kregen mijn ouders er wel moeite mee. Bij wijze van spreken wandelden de pompoenen de tuin door naar binnen.

Waarom wil je je graag inzetten voor een groenere stad en niet bijvoorbeeld vluchten naar een hutje in de natuur?

Stiekem wil ik dat soms best. Maar ik hou ook van de stad: van de reuring, alle activiteiten en de diversiteit. En ik wil graag bijdragen op een plek waar verandering hard nodig is. Bovendien zie ik in de stad bij uitstek veel mogelijkheden. Die zie ik bijvoorbeeld in kleinschalige initiatieven. Al die initiatieven hebben samen een grote impact. Ze helpen met het zichtbaar maken van de natuur in onze eigen leefomgeving, wat misschien wel de belangrijkste stap is. Denk bijvoorbeeld aan geveltuintjes: je kan je afvragen of die wel substantieel bijdragen aan biodiversiteit, terwijl ze volgens mij juist zorgen dat mensen in contact komen met groen. Daardoor willen ze zich er zelf vervolgens misschien wel meer mee bezig houden. Het laat mogelijkheden zien. Dat is ook een reden dat ik graag onderdeel ben van meer praktische organisaties zoals De Gezonde Stad – omdat ik denk dat we niet alleen maar kennis moeten ontwikkelen, maar ook gewoon aan de slag moeten.

“Bij wijze van spreken wandelden de pompoenen de tuin door naar binnen.”

Bewonersinitiatief

Je pleit veel voor bottom-up initiatief – vergroening vanuit gewone Amsterdammers dus. Hoe verhoudt dat zich tot de politiek?

Ik werk veel samen met overheden om te kijken hoe ze meer natuurinclusief kunnen werken, maar uiteindelijk gaat de politiek pas echt wat doen met groen als ze zien dat veel mensen dat willen. Er zijn zoveel opgaven waar een stad aan kan werken. Bewoners hebben een stem in wat er uiteindelijk zwaarder weegt. We kunnen onszelf al snel klein voelen binnen grote, ingewikkelde systemen, terwijl ik denk dat we best dingen voor elkaar kunnen krijgen als we ons beter organiseren. We vergeten de kracht van het formeren. En daarbij de kracht van veranderingen binnen onze eigen woonomgeving. Want vergroening levert zoveel op: het is goed voor ons welzijn, voor sociale cohesie en het maakt de stad klimaatbestendig. Als je zo gaat rekenen kost het eigenlijk helemaal niks, dat groen. Uiteindelijk is vergroening een win-win-win-win-situatie.

“Groen is goed voor ons welzijn, voor sociale cohesie en het maakt de stad klimaatbestendig.”

Moet je dan de verantwoordelijkheid voor groen vooral bij gewone mensen plaatsen? Dat kan misschien intimiderend zijn.

Ik denk dat we vooral niet hard voor elkaar moeten zijn. Dan wordt het moeilijk om mensen mee te krijgen. Juist de verbinding maken met elkaar is belangrijk. Vanuit daar hoop ik dat we samen meer naar onze straten gaan omkijken. Mijn hoop is dat er binnen wijken uiteindelijk een soort groenshifts zullen ontstaan – net als hoe mensen bijvoorbeeld bardiensten draaien op de sportclub. Op het GWL-terrein in Amsterdam zorgen bewoners al samen voor het onderhoud van het groen. Ik denk dat we steeds meer naar dat model moeten. We kunnen niet alles verwachten van de gemeente, maar moeten met elkaar in actie komen.

Als je als Amsterdammer meer betrokken wil zijn (maar door de bomen het bos niet meer kan zien), wat kan dan een goede eerste stap zijn?

Als eerste zou ik kijken waar je invloed op kan hebben. Eén stap ligt voor de hand: stemmen. Verder kan invloed vaak op veel verschillende manieren. Soms heb je een tuin of balkon. Daar kan je hartstikke veel doen. Vergeet ook de optie van een geveltuintje of groene gevel niet! Je kan vergroenen vanuit verschillende posities: als eigenaar, bewoner, werknemer of huurder die ook de eigen woningcorporatie kan aansporen. Dus: kijk waar je invloed op kan uitoefenen en ga vanuit daar steeds verder uitbreiden.

Wat voor rol kunnen stadsplanners spelen?

Wat planologen goed kunnen is het overzicht houden. Zij kunnen helpen bouwen aan sterke netwerken en daarin alle onderdelen – kleine initiatieven, de gemeente, bewoners – betrekken en aan elkaar rijgen. Datzelfde geldt eigenlijk voor groen: stadsplanners kunnen zorgen dat plukjes groen beter met elkaar verbonden worden. Zo gaat het dus om netwerken van groen en van mensen. Die kunnen elkaar vervolgens weer versterken.

Om dan een soort positieve loops te kunnen maken voor de toekomst?

Absoluut, ja. En er zijn juist in deze tijd heel veel mogelijkheden, best spannend. Dat komt onder andere omdat de auto steeds meer de stad uitgaat. Dat vraagt om een herinrichting van de straten.

“Kijk waar je invloed op kan uitoefenen en ga vanuit daar steeds verder uitbreiden.”

Stad van de toekomst

Zijn er andere steden waar je inspiratie vindt?

Jazeker. Van iedere stad kan je wel wat leren. In Gent weten ze bijvoorbeeld op hele creatieve wijze te vergroenen. Die vergroening ontstond daar heel bottom-up. Mensen maakten samen echte leefstraten, met prachtige slingers van groen over de straat heen. Ik kijk ook naar steden in zuidelijke landen, bijvoorbeeld naar de manier waarop zij in de hitte hun (jonge) bomen proberen te behouden.

Wat geeft je in Amsterdam nu de meeste hoop?

Het geeft mij hoop wanneer er zelfs op de moeilijkste plekken toch iets voor elkaar wordt gekregen. Dat lukte bijvoorbeeld met het Knowledge Mile Park op de Wibaut- & Weesperstraat. Op deze verkeersader is inmiddels op sommige plekken al een soort woeste oase ontstaan door gevelbeplanting. Dat woeste maakt me ook blij. Het hoeft allemaal niet zo geknipt en gestructureerd te zijn. Volgens mij kunnen we ons in stapjes wat meer openstellen voor verwildering in de stad, want dat levert de meeste natuurwaarde op. Nu vinden we dat door onze perceptie van wildernis nog best moeilijk. We hebben juist de stad gemaakt om ons daarvan te onderscheiden, maar dat wordt een meer filosofisch onderwerp.

“Volgens mij kunnen we ons in stapjes wat meer openstellen voor verwildering in de stad, want dat levert de meeste natuurwaarde op.”

In een ander interview zei je dat we ons het beste kunnen richten op inheemse planten (planten die van nature in Nederland voorkomen). Waarom is dat zo?

Alle plant- en diersoorten maken een eigen ontwikkeling door die is gekoppeld aan hun omgeving. De soorten worden zo afhankelijk van elkaar. Langzaam ontstaat er een heel systeem, gebouwd uit allemaal kleine radertjes. Nu zijn er in de stad een aantal van die stukjes tussenuit gehaald en daardoor werkt het gewoon niet meer. Als je in Amsterdam een plant uit China neerzet, weten insecten hier bijvoorbeeld niet wat ze daarmee moeten. Maar als we inheemse soorten planten, komen andere oorspronkelijke soorten mogelijk weer terug. Ik zeg daarmee trouwens niet dat we alleen maar inheemse planten moeten gebruiken. Op een vlinderstruik, die eigenlijk niet in Nederland voorkomt, komen ook bijen en vlinders af – hartstikke mooi. Maar over het algemeen is inheems wel beter. Hoe meer je het lokale ecosysteem kan repareren, hoe meer waarde het heeft voor allerlei soorten.

Heb je nog een tip voor een boek of documentaire over dit onderwerp?

Er schiet me nu even niets te binnen, maar ik denk dat boeken heel inspirerend kunnen werken. Daarin denken mensen vaak groter. Soms durfen we nog te weinig te dromen. Terwijl het daarmee begint: met denken dat het anders kan. We kijken vaak alleen naar wat er precies voor ons ligt. Toch moeten we ook denken aan grotere vragen: wat voor stad willen we? Hoe kunnen we fijn leven met elkaar? Wat is daarvoor nodig? We kunnen meer in beelden denken en daarna komen met de concrete stappen die we moeten zetten.